De
jaren 1866-1875 werden gekleurd door de journalist Fideel
Vion. Deze Diksmuidenaar vestigde zich in Izegem in 1866
als drukker en uitgever van een Izegems dagblad.
Oud-pastoor Johannes De Bruyne, die veel heeft gedaan voor de armen,
wilde in Izegem van geen kranten weten en Vion werd persona non grata.
Dat
verergerde nog toen hij eens de gebrekkige straatverlichtig aanklaagde.
Vion wilde zich onafhankelijk opstellen, maar doordat hij botste
met de clerus en het katholieke gemeentebestuur, kwam hij in het
liberale kamp terecht.
Uiteindelijk
werd het hem financieel zo moeilijk gemaakt, dat hij Izegem verwisselde
voor Roeselare. Daar werd hij na korte tijd een van de steunpilaren
van de deken en uitgever van hyperkatholieke kranten. |
In 1863 ontstond
het Katholiek Kiesgenootschap. Midden 1878 werd de Katholieke
Kring opgericht. De grote man achter de schermen was brouwer Pierre
Carpentier. De Katholieke Kring was gericht tegen burgemeester
De Meulenaere, die we als een soort onafhankelijke katholiek kunnen beschouwen,
hooguit als een zeer gematigde liberaal. Medio 1879 werd het Katholiek
Kiesgenootschap heropgericht, dit keer in de schoot van de Katholieke
Kring; ook de pastoor zat in het bestuur. Na deze reorganisatie maakte
De Meulenaere er geen deel meer van uit en na 1884 wilden sommigen, waaronder
de pastoor, hem zelfs uit de gemeenteraad. Tijdens de voorbije schoolstrijd
van 1879 tot 1884 had de burgemeester bij de stemming van liberale schoolplannen
herhaaldelijk niet tegengestemd, maar zich slechts onthouden. Bij de gemeenteraadsverkiezing
van 1884 kwam het zelfs tot een soort van revolutie in het Katholiek Kiesgenootschap.
Heel wat leden die het opnamen voor de burgemeester namen ontslag en de
zes kandidaat-gemeenteraadsleden die het Katholiek Kiesgenootschap voorstelde,
trokken hun kandidatuur in. Pastoor Lonneville zocht nu vier kandidaten
op eigen houtje en buiten het Katholiek Kiesgenootschap om. De burgemeester
en een schepen - die werden herkozen - stonden op een afzonderlijke katholieke
lijst. De spanning bleef tot en met de gemeenteraadsverkiezing van 1891
duren. Ook die keer werden de kandidaten door de clerus voorgedragen,
buiten het katholieke verkiezingscomité om.
Vanaf 1878
kan er in Izegem sprake zijn van een antiklerikaal liberalisme,
met namen als borstelfabrikant Emile Gheysens, schoenfabrikant Polydore
Decoene en textielfabrikant Jules Van Witberghe.
| In
1882 vierde een groep Izegemse liberalen de liberale winst in de nationale
verkiezingen met een nachtelijke slemppartij in café 't Wit
Peerd, waar de Heilige Antonius en de Heilige Maagd Maria
werden bespot.
De jaren 1880 kenmerkten zich ook door liberale karnavalvieringen,
bij zover dat het stadsbestuur een reglement opstelde en in 1887
de gemeenteraad het gemaskerd of verkleed rondlopen in het openbaar
tijdens het karnaval verbood.
- Op
13 november 1888 werd de eerste echtscheiding
uitgesproken: die van cichoreifabrikant Jules Declercq en Emma
Devos.
- Het
eerste huwelijk zonder mis werd gesloten op 14
september 1889: dat van Hélène Van Witberghe, dochter
van Jules, met Georges Poulet.
- De
eerste burgerlijke begrafenis in Izegem was die van lijnwaadfabrikant
Louis Cappelle, die in 1892 zelfmoord pleegde.
- Het
eerste burgerlijk huwelijk zonder kerkelijk huwelijk
was dan van Rachel Decoene, dochter van Polydore, en Jacob Lévy,
op 26 februari 1908.
|
Wijnhandelaar
Camille Ameye, de bouwheer van de privé-woning die nu
het stadhuis is, poogde van 1885 tot 1895 tevergeefs, als onafhankelijk
kandidaat, aan een politiek mandaat in de provincie- of gemeenteraad te
geraken. Alles begon toen hij vond dat het stadsbestuur te veel toegaf
aan baron Alexandre Gillès de Pélichy i.v.m. de demping van een kasteeldreef.
De tegenstanders schreven dat hij een liberaal was, wat hij bleef ontkennen.
In 1890 trad
een uitgesproken liberaal en antiklerikaal kopstuk in het Izegemse politieke
strijdperk. Het was huidevetter Jules Declercq, de secretaris
van de Liberale Associatie. In 1895 kwam de zogenaamde 'lijst
van de drie Jules' op, met Jules Declercq, Jules Van Witberghe
en Jules Demeester. Deze drie liberalen vielen de geestelijkheid aan omdat
die zich met burgerlijke zaken bemoeide, noemden de gemeenteraadsleden
marionetten van de clerus en klaagden de verwaarlozing van de gemeenteschool
aan. Op 23 april 1899 voerden priester Adolf Daens en
zijn broer Pieter het woord op een Izegemse verkiezingsmeeting,
wat niet naar de zin was van de katholieke partij.
Geen enkele
liberaal geraakte in de 19de eeuw verkozen en na 1903 kwamen ze zelfs
niet meer op. Het was een katholieke tegenlijst die met
handelaar Constant Gits bij een tussentijdse verkiezing
in 1903 het monopolie van de katholieke partij doorbrak. De scheuring
binnen de katholieke partij had te maken met de stichting van een afdeling
voor Samenaankoop binnen de Boerengilde, de Izegemse afdeling van de Boerenbond
die in 1891 werd opgericht. In 1907 geraakten twee kandidaten van deze
katholieke tegenlijst gekozen. Dat jaar pas stond met Petrus Dejonghe
voor het eerst een arbeider op de katholieke lijst, maar het duurde tot
1913 voor hij in de gemeenteraad geraakte. In 1911 werden vijf katholieke
oppositieleden gekozen. Het Izegemse weekblad Boos Iseghem (1912-1914)
steunde de oppositie.
Eind 1908
werd een Katholieke Kiezersbond opgericht, met drie secties
: Arbeiders, Burgers en Middenstanders, en Boeren. De kersverse burgemeester
Carpentier was tot 1914 de voorzitter. Hij had het in de gemeenteraad
moeilijk om zijn groep bijeen te houden. Dat kwam door de actie van de
oppositie, die na de verkiezingen van 1911 tot vijf leden was uitgebreid,
en de verdeeldheid bij de burgerij en de middenstand. Toen Carpentier
niet meer kon rekenen op de steun van zijn volledige fractie, nam hij
eind 1912 ontslag. In 1914 had een bijzondere gemeenteraadsverkiezing
plaats, omdat twee raadsleden ontslag hadden genomen. De katholieke oppositie
had op deze verkiezing aangedrongen, omdat ze bij winst aan de meerderheid
zou geraken. Ze verloor echter en Carpentier kwam terug als burgemeester.
Op het einde
van de 19de eeuw poogden de socialisten tevergeefs zich
in Izegem te groeperen, maar in 1906 werden zowel door de socialistische
als door de katholieke arbeidersbeweging syndicaten opgericht.
| Het
eerste socialistische syndicaat was voor de borstel-
en borstelhoutmakers en werd op 14 mei 1906 in café Barnum in de Molenweg
gesticht. De grote socialistische voorman was Henri Dewaele
(1880-1942), die van 1925 tot 1939 senator was.
Het
eerste katholieke syndicaat was voor de schoenmakers
: Recht en Plicht, dat op 24 juni 1906 tot stand kwam. De twee katholieke
voormannen waren Henri D'Artois (1875-1948) en
Emiel Allewaert (1879-1966), maar o.a. ook baron
Charles Gillès de Pélichy heeft een niet te veronachtzamen
rol gespeeld.
Allewaert werd in 1910 de eerste vrijgestelde propagandist
van de christelijke arbeidersbeweging in West-Vlaanderen en bracht
het tot burgemeester van Izegem (1946-1958) en parlementariër (1921-1954).
D'Artois was 'bestuurder' van de christelijke arbeiderscoöperatieve
Ons Eigen Brood (°1912) en was Bestendig Gedeputeerde van 1923
tot 1948. Om deze coöperatieve te bestrijden organiseerden de Izegemse
bakkers zich in november 1913 o.l.v. Camiel Dejonghe in de bakkersbond
Helpt Elkander.
|
|