| Godsdienstig
- historisch overzicht Volgens
de traditie was het Sint-Tillo (plechtstatiger: Sint-Hilonius) die Izegem
bekeerde. Deze heilige leefde van 610 tot 702 en zou van Saksische afkomst
geweest zijn. Hij kwam met zijn ouders als kind in het Torhoutse wonen,
werd gevangen genomen, maar vrijgekocht door Sint-Elooi, de muntmeester
van de Merovingische koning en later bisschop van Noyon-Doornik. Na zijn
activiteit in onze streken werd Sint-Tillo abt van Solignac (Midden-Frankrijk),
vooraleer zich als kluizenaar terug te trekken.
In 1112 werd
door de bisschop van Doornik (o.a.) het altaar van Izegem aan het Sint-Maartensklooster
van Doornik geschonken. Het Sint-Maartensklooster had zeker al vóór 1240
ook het patronaatschap van de kerk van Emelgem in handen.
Wie
het altaar of altaarrecht van een kerk bezat, mocht
een pastoor ter benoeming aan de bisschop voorstellen en was zowat
de eigenaar van de kerk, met de rechten (inkomsten)
en plichten eraan verbonden.
- De
inkomsten waren de patronaattienden, renten en cijnzen.
- De
plichten waren het onderhoud van de kerk, de betaling van de pastoor,
en de armenzorg.
|
|











 |
Kachtem
was aanvankelijk een kapel die afhing van Rumbeke. In 1116 gaf de bisschop van
Noyon-Doornik het patronaatschap van Rumbeke en zijn afhankelijkheden, waaronder de kapel
van Kachtem, aan de abt van Sint-Bertinus te Sint-Omaars. In 1119 werd Kachtem een
zelfstandige parochie en werd de kapel een parochiekerk; in 1561 ging het patroonschap
over naar de bisschop van Brugge.
Na
ongetwijfeld een houten kerkje, vermoedelijk door Sint-Tillo
gebouwd, kwam er zeker vóór 1384 een stenen Sint-Tillokerk.
Met een volledige derde zuidbeuk kreeg de oude kerk zowat haar 'definitief'
uitzicht. Dat gebeurde toen in 1468 hertog Karel de Stoute financiële
schikkingen nam met het oog op deze uitbreiding. Daardoor werd de
42 meter lange kerk 21 meter breed; de achthoekige ogivale middentoren
was 33 meter hoog. Al in 1513-1514 werden klokken geluid. In 1550
hingen in de toren één grote en acht kleinere klokken. |
Vóór het
Concilie van Trente (1545-1563) werkten in Izegem één
pastoor en enkele kapelaans. Tot in de 17e eeuw hadden de kapelaans niets
te maken met de parochiezorg, maar lazen fundatiemissen (missen betaald
door gelovigen) aan de altaren toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw, Sint-Hilonius,
en (vanaf 1463) Sint-Jan-de-Doper. Om op een intensievere manier hun geloof
te belijden stichtten gelovigen confrerieën of broederschappen. De grootste
in Izegem was oorspronkelijk de Sint-Tillobroederschap.
Ook de H.-Sacramentsprocessie en de Mariaprocessie naar de Abelekapel
waren hoogtepunten van het parochiaal leven.
Bij de oprichting van het bisdom
Brugge in 1559 bleef Izegem bij het bisdom Doornik, maar het verhuisde van de dekenij
Kortrijk naar die van Roeselare. Kachtem verhuisde toen van het bisdom Doornik naar het
bisdom Brugge. Een eigenaardigheid is dat vanaf 1559 de drie gemeenten tot drie
verschillende bisdommen behoorden, want Emelgem maakte vanaf 1559 deel uit van het bisdom
Gent. Door het concordaat tussen Napoleon en de paus behoorden Kachtem en Izegem vanaf
1802 bij het bisdom Gent. In 1834 werd Kachtem opnieuw bij het heropgerichte bisdom Brugge
gevoegd, nu samen met Izegem en Emelgem.
Na
de plundering op 23 augustus 1568 geraakte de Sint-Tillokerk
de volgende decennia zwaar gehavend : gewelven waren ingestort, muren,
pijlers en vloeren zwaar beschadigd, klokken- en zijtoren danig toegetakeld.
Wegens het grote priestertekort ten gevolge van de godsdiensttroebelen moest de pastoor
van Izegem omstreeks 1600 ook Emelgem bedienen |
Het Twaalfjarig bestand
(1609-1621) betekende ook voor de Kerk een bloeiperiode. In 1604 werd begonnen met het
herstel van de Sint-Tillokerk en in 1608 werd de Abelekapel hersteld. Het herstel van de
kerk duurde lang. Pas in 1617 kwam de bisschop van Doornik in de Sint-Tillokerk zes
altaren wijden. De verdere uitrusting van de kerk duurde zeker tot in 1649. Met het
optekenen van de doopsels werd in Izegem begonnen in augustus 1606, met de huwelijken
vanaf 1 januari 1607 en het noteren van de overlijdens werd gebruikelijk in 1613; dat
alles was het gevolg van een maatregel die het Concilie van Trente in 1563 voorschreef. In
de eerste helft van de 17de eeuw werden ook zowat overal broederschappen opgericht of
heringericht. In Izegem werden drie schuttersgilden hersticht: die van St.-Barbara,
St.-Joris en Sint-Sebastiaan. De schuttersgilden hadden naast een militaire, ook een
godsdienstige betekenis. In 1670 werd ook een gilde van de Tobiassen gesticht, die de
begrafenis van armen hielp bekostigen en lijkdragers leverde. De gilde werd in 1786
afgeschaft door het decreet op de broederschappen van Jozef II, maar een jaar later al
weer opgericht. Er werd ook nog een broederschap van Sint-Jozef gesticht. De gilde van
St.-Tillo kwam blijkbaar niet meer tot leven.
Van
zeker de 15de tot de 18de eeuw stond er in Izegem een klooster
van de Grauwe Zusters. De naam >Kloosterstraat bij
de Sint-Tillokerk is daaraan een herinnering.
Het oudste document dateert van 1486. De zusters verleenden voor één
nacht onderdak aan reizigers. Tijdens de godsdienstige troebelen namen
ze hun intrek binnen de muren van Kortrijk. Toen ze omstreeks 1610
naar hun verwoest klooster in Izegem terugkeerden, kregen ze nieuwe
gebouwen en gronden, van de Kloosterstraat tot zowat halfweg tussen
de (huidige) Wijngaard- en Kruisstraat. Ze richtten toen ook een kostschool
op, wat ze in 1678 ook in Roeselare gingen doen. In 1699 waren er
28 zusters in Izegem, het hoogst bekende cijfer. |
De 18de eeuw
betekende op sociaal-economisch én op kerkelijk gebied voor Izegem een absoluut
hoogtepunt. In 1718 werd de Gilde van het H. Sacrament opgericht. In 1732
kwam er een nieuwe preekstoel en in de jaren 1740 kwamen er ook stoelen in de kerk, die
verhuurd werden aan de gelovigen. In 1753 kam er een kruisweg tot stand. Van 1772 tot 1774
werd de kerk 'gemoderniseerd', d.w.z. (o.a.) van binnen bepleisterd. In 1779 kwam er een
nieuwe sacristie. Processies bleven zeer in trek. Een nieuwe was die op Witte Donderdag.
Ook de broederschappen kenden veel succes. In Kachtem werd in 1770 de Broederschap
van de Rozenkrans en in 1790 de Broederschap van het H.-Sacrament
ingesteld.
|
DE FRANSE REPUBLIEK
De Franse Republiek was erg
antiklerikaal en zelfs antigodsdienstig, vooral vanaf eind 1795. Tijdens de Franse
Revolutie werden de kerken van Izegem, Emelgem en Kachtem gesloten.
- De
wet van 1 september 1796 schafte de kloosters af. Daarmee was
ook het lot van de Grauwe Zusters bezegeld. Hun klooster,
gelegen tussen de (huidige) Ommegang- en Kloosterstraat, werd
in 1798 als zwartgoed verkocht en vanaf eind
1803 volledig afgebroken.
- Alle godsdienstige tekens
buiten het kerkgebouw werden verboden, ook b.v. kruisen en
heiligenbeelden op de openbare wegen. Het kruis op het toenmalige kerkhof rond de
Sint-Tillokerk werd met planken afgedekt en de kruisen op de kerktoren, het klooster van
de Zusters van Maria en op enkele kapellen werden weggenomen.
- De Izegemse geestelijkheid
weigerde de "eed van haat aan het koningschap" af te leggen en moest onderduiken.
- De Sint-Tillokerk
werd op 1 oktober 1797 gesloten.
- In de mate van het mogelijke werd
op geheime plaatsen, o.a. in het kasteel Het Blauwhuis, mis gedaan. Het
Beloken Hof, in de Schardouwstraat dankt zijn naam aan het feit dat er tijdens de Franse
Revolutie in het geheim mis werd opgedragen.
Onder Napoleon
verbeterde de situatie. Op Pinkersterzondag 6 juni 1802 konden de priesters weer de mis in
de Sint-Tillokerk opdragen. Philips De Bosschere die in 1803 als pastoor van Kachtem werd
benoemd, had voordien op het eiland Oleron gevangen gezeten, omdat hij de Eed van Haat
jegens het Koningdom niet had willen afleggen. |
| Vóór
de Eerste Wereldoorlog was de onkerkelijkheid op het platteland nagenoeg
onbestaande. In Izegem waren er tussen 1814 en 1914 vijf echtscheidingen.
In september 1927 had de eerste burgerlijke begrafenis plaats sedert
1892.
In het interbellum zette de kerk heel wat
bewegingen en groeperingen op die allemaal tot doel hadden de leden te beveiligen
en af te schermen van niet-kerkelijken (denk hierbij aan de opkomst van het
socialisme). In 1932 ontstond in Izegem het Algemeen Jeugdverbond voor Katholieke Actie
(AJVKA), waarvan de meeste katholieke jeugdbewegingen deeluitmaakten, maar er bestond ook
een dergelijk Mannenverbond ('Zedenadel') en een Vrouwenverbond. In de periode 1920-1960
werden geregeld zendingen gehouden; die van de Sint-Tilloparochie trokken in 1953 elke
avond tussen de 2300 en 2900 gelovigen! |
Na de Tweede
Wereldoorlog ging de kerkelijkheid veel sneller achteruit. Vooral vanaf de jaren 1960 viel
de secularisatie niet meer tegen te houden. Processies, ommegangen, vespers, lof,
zendingen, ... verdwenen. Het aantal communies en roepingen ging achteruit, de
biechtstoel functioneerde niet meer. Wel werd het aandeel van de leek groter. Er
zijn het permanent diaconaat, vrouwelijke acolieten, gezinskringen en gezinsgroepen. |