| Een
leen moest niet noodzakelijk een stuk grond zijn, het kon
bv. een ambt zijn. Een voorbeeld van een leen was Ter Buers, in de omgeving
van het huidige Ter Beursplein (op de Bosmolens).Het was geen heerlijkheid
want het had geen overheidsrechten gekregen. Een heerlijkheid was namelijk een stuk grond waarover een heer van rechtswege in eigen naam overheidsrechten uitoefende. Het was m.a.w. een soort miniatuurvorstendom. De overheidsrechten hadden betrekking op het bestuur en de rechtspraak. De dorpsheerlijkheid - ook parochie genoemd - was die waarop de kerk stond. De parochie Izegem is dus helemaal niet hetzelfde als de gemeente Izegem. |
Van het leenhof van Kortrijk hingen op (toenmalig) Izegems grondgebied twee belangrijke lenen af: het hof van Izegem die de dorpsheerlijkheid bevatte en de belangrijkste was, en Wallemote. Met de heren van Izegem bedoelt men altijd de heren van het hof van Izegem. Het ging achtereenvolgens om de geslachten van Izegem (zeker al 1066-1257), Maldegem (1257-1297), Heule (1297-1414), Stavele (1414-1555), Vilain van Gent (1555-1794) en - na de feodale periode - Brancas (1794-1812) en Arenberg (1812-1828).

Het wapen van de heren, graven en prinsen van Izegem
Een leenman kon terzelfdertijd ook leenheer zijn en dat was het geval met de heer van Izegem. Volgens een document van 1502 was de heer (van het Hof) van Izegem - zelf een leenman van de graaf van Vlaanderen - leenheer van 61 achterleenmannen, waarvan er 15 in Izegem gelegen waren. Zijn hof van Izegem strekte zich toen uit over 13 parochies. De omwalde hofstede die het centrum was van het hof van Izegem - op de kaart van Sanderus 't Oud Casteel - lag waar zich nu ongeveer het goederenstation van de NMBS bevindt. Het hof van Izegem bezat de hogere justitie, d.w.z. dat de schepenbank mocht oordelen over misdaden waarop zelfs de doodstraf stond. Een van de achterlenen van het hof van Izegem op Izegems grondgebied was de heerlijheid Ter Elst, waarvan de Rode Poort het centrum was. Dat was een omwalde hoeve, die nu helemaal is verdwenen, maar als toponiem bewaard bleef; in 1994 werden daar serviceflats gebouwd. Ooit was de Rode Poort betoverd. De heer van Ter Elst had recht op een eigen molen, de (latere) Hondekensmolen of Joye's molen.
|
Naast overheidsrechten waren er ook heerlijke rechten. Zo had de heer (of vrouw) van Izegem het visserijrecht over de Mandel vanaf de heerlijkheid Ingelmunster tot aan het burggraafschap Roeselare en over alle andere waterlopen in zijn heerlijkheid. Hij bezat o.a. ook het molenrecht over de Plaatsemolen in Izegem (hoek Nederweg en Molenstraat) en de Prinsessemolen in Emelgem; ook een van de molens op de Bosmolens was zijn eigendom. Cijnzen waren renten in geld of in natura die ieder jaar door de bewerker van de grond aan de heer moest worden betaald.
| In 1582 verhief de Spaanse koning Filips II Izegem tot graafschap. Van 1668 tot 1678 behoorde Izegem zelfs aan de Franse kroon. In 1678 verhief Lodewijk XIV het graafschap Izegem tot prinsdom Izegem. Nog hetzelfde jaar werd Izegem weer Spaans bezit. In 1741 kreeg Filip Norbert van der Meere, heer van Kachtem, de titel van graaf. |