Economisch, sociaal en demografisch - de sociale ellende in de 19e eeuw

Cartoon Economisch, sociaal en demografisch overzichtIn de 19de eeuw was er grote armoede. De volkstelling van 15 oktober 1846 noemde 27,3% van de Izegemnaren arm. In vijf Izegemse centrumstraten varieerde dat zelfs tussen de 76% en 50%! Tijdens de hongerwinter van 1845-1846 moest 30% van de Izegemnaren door het armbestuur - de voorloper van het OCMW - worden ondersteund. Het verval van de linnennijverheid en de mislukte oogsten waren de grote oorzaken.

 

De ellende was zo groot dat het armbestuur van 8 november 1845 tot 18 maart 1846 een burgerwacht oprichtte om het stelen tegen te gaan.
Inleiding
De Prehistorie
De feodaliteit
De Franse en Hollandse Periode
Economisch, sociaal en demografisch
15de tot 19de eeuw
landbouw en textiel in de 19de eeuw
schoen- en borstelnijverheid
sociale ellende in de 19de eeuw
ontsluiting van Izegem
Godsdienstig
Politiek
Epidemieën kwamen vaak voor, vooral bij arme mensen. De ergste in de 19e eeuw was de tyfusgolf van 1846. Het sterftecijfer overtrof toen het geboortecijfer: in Izegem 364 tegenover 142 in 1846 en 384 tegenover 180 in 1847. In Kachtem, waar in 1846 371 gezinnen of 1757 mensen woonden, telde men in 1847 109 overlijdens en slechts 39 geboorten! Ook pastoor Petrus Ghekiere was een van de dodelijke slachtoffers van de tyfus. Ondervoeding, armoede, koude, verkrotting en het ontbreken van de elementairse hygiëne waren de oorzaken.

PATERNALISTISCHE ORGANISATIES
De oplossing werd aanvankelijk gevonden in het paternalisme : liefdadigheid zonder structurele veranderingen. Toen Joannes De Bruyne in 1834 pastoor van Izegem werd, telde de stad zo'n 500 arme gezinnen en leefden 160 mensen van de wettelijk verboden bedelarij. Daarom richtte hij in overleg met zijn onderpastoors, het gemeente-en het armbestuur het werk van het 'wekebrood' (wekelijks brood) op. Dat werk bestond erin dat noodlijdenden elke week bij een weldoener om brood mochten gaan. Later zorgde het armbestuur zelf voor de bedeling. Van 1839 tot 1845 (tot de aardappeloogst mislukte) stonden landbouwers aan het armbestuur vrijwillig aardappelen af, die onder de behoeftigen werden verdeeld. Omdat de armoede nooit gekende vormen aannam, werd in het najaar van 1845 door enkele notabelen een commissie opgericht die moest zoeken naar mogelijke oplossingen. Vanaf 1846 werd een bijzondere abonnementsrol ingevoerd, om met het geld van de rijken de armoede te bestrijden. Vooral baron Louis Gillès de Pélichy valt hier omwille van zijn liefdadigheid te vermelden. Dank zij hem konden wekelijks 620 noodlijdende gezinnen in de Sint-Tillokerk steun krijgen.

  • Na de hongerjaren kwamen nog enkele privé-organisaties tot stand. Bij de mannen was er het Sint-Vincentiusgenootschap (°1852) en bij de vrouwen het Genootschap der Jufvrouwen van Bermhertigheid (°1856). De leden gingen wekelijks op bezoek bij arme gezinnen om ze steun te geven en ze aan te moedigen om godsdienstig en zedelijk te leven en ouders aan te zetten om hun kinderen naar school te sturen. In 1846 waren er in Izegem vijf kantwerkscholen. Kantwerk kon toen machinaal nog niet goed gemaakt worden en was een uitweg voor de crisis in de linnennijverheid. In Emelgem ontstond in 1862 een Sint-Vincentiusgenootschap.
  • Vanaf de jaren 1860 kwamen maatschappijen van onderlinge bijstand tot stand die de werkman een inkomen bezorgden als hij ziek of werkloos werd. Het ging niet meer om zuiver paternalisme, want de arbeider moest zelf wekelijks een bijdrage betalen. De ereleden waren mensen uit de burgerij die minstens evenveel betaalden als de leden, maar niet konden genieten van de voordelen. In 1862 werd De Broederliefde gesticht. De gewone leden werden vergoed bij ziekte of werkonbekwaamheid. De Sint-Hiloniusgilde (°1874) gaf niet alleen de mannen steun, maar ook hun zieke vrouw en kinderen. Ze was christelijk geïnspireerd, want De Broederliefde was neutraal. De Vereenigde Werklieden bestond het langst: van 1883 tot 1938 en wilde eveneens De Broederliefde concurrentie aandoen.
  • In 1874 kwamen de Spaarkas en de Leen- en Borggilde tot stand. De Spaarkas werd al in 1876 een hulpkantoor van de ASLK en boekte in 1883 de beste resultaten van het land. Het kapitaal van de Leen- en Borggilde kwam van particuliere weldoeners. De arbeiders konden er tot het dubbele van hun spaargeld lenen en i.p.v. intrest te betalen, krégen ze bij terugbetaling intrest. Bij deze werken moet zeker de naam van onderpastoor Hendrik Vandendriessche vernoemd worden.
  • In 1893 werd de NV Eigen Huis opgericht: arbeiders en ambachtslui die bepaalde waarborgen boden, konden daar geld lenen om een gezonde woning aan te kopen of te bouwen. Al deze initiatieven waren bedoeld voor arbeiders en bewijzen de lotsverbetering van de arbeider, aangezien al kon worden gespaard. In 1890 ontstond de Assurantie van Iseghem. Die wou de premies voor brandverzekering die de Izegemnaren elders betaalden binnen de stad houden. Ook Emelgemnaren konden aansluiten, op voorwaarde dat hun eigendom niet verder dan een half uur (circa 2,5 km) van het Izegemse brandweerlokaal lag.
  • Het Aartsgenootschap van de H. Franciscus Xaverius, ook de Werkmanskring genoemd en in de volksmond afgekort tot de Ciskes, ontstond in Izegem in 1872. Het had een godsdienstig doel, maar beoogde ook gezonde, en dat betekende toen katholieke ontspanning. Arbeiders werd erop gewezen dat ze door spaarzaamheid en vooruitziendheid hun lot konden verbeteren. De Werkmanskring streefde ook 'de verbroedering van de verschillende volksklassen' na. De vergaderingen vonden plaats in het gebouwencomplex van de Zusters van Liefde (de kliniek), maar in 1898 werd verhuisd naar het Gildenhuis, in de Kruisstraat, gebouwd en bekostigd door de adellijke familie Gillès de Pélichy.
Door de enorme verstedelijking was er veel vraag naar woonst en bouwden grondeigenaars kleine, goedkope en veelal ongezonde woningen. Enkelen bouwden tientallen huizen. Ze werden huisjesmelkers genoemd.
De Maatschappij der Vereenigde Grondeigenaers, die in 1855 werd opgericht en nog na de Eerste Wereldoorlog bestond, had een dubbele bedoeling :
  • aan de leden van de vereniging die pachters signaleren die nog bij een ander lid achterstallige huishuur moesten betalen én
  • slechte pachters uit hun huis zetten

Vanaf de jaren 1890 werden serieuze maatregelen tegen de krotwoningen genomen. Vanaf 1900 liet het gemeentebestuur van Izegem een aantal krotwoningen slopen. Vanaf 1909 deelde het stadsbestuur prijzen uit voor werkmanswoningen met orde en netheid.

GILDEN
We komen aan de gilden. Izegem had verscheidene gilden in de eerste helft van de negentiende eeuw, maar over veel gegevens beschikken we niet, behalve over die van de schoenmakers.
Tot 1860 was het schoenmakersambacht gesloten. D.w.z. dat het beroep voorgehouden was voor zonen van schoenmakers of eventueel voor kinderen ten laste van het armbestuur, omdat die toch nooit zelfstandig het beroep zouden kunnen uitoefenen. De Izegemse schoenmakersgilde groepeerde werkgevers en werknemers, die ook afzonderlijk vergaderden.

Er waren ook heel wat schoenmakersgilden die met het ambacht slechts onrechtstreels uitstaans hadden. Het ging om cafégilden, die vooral bloeiden tussen 1870 en 1880, maar soms bestonden tot aan de Eerste Wereldoorlog.

Bij deze gilden spaarden de leden wekelijks, om ter gelegenheid van het Sint-Crispijnfeest goed te kunnen eten en 28 pinten bier (!) te kunnen drinken. In Izegem werd het Sint-Crispijnsfeest de maandag en dinsdag na Allerzielen gevierd.

Om een einde te maken aan deze slemppartijen richtte de geestelijkheid, met name onderpastoor Leopold Slosse, medio 1882 zelf een Sint-Crispijnsgilde op. De patroonviering kreeg daardoor een meer religieus karakter en ook de vakopleiding kreeg aandacht. Ook de verbroedering tussen bazen en knechten werd geaccentueerd, wat een typisch christelijke gedachte was, zeker in een tijd van opkomend socialisme. Binnen de schoot van deze Sint-Crispijnsgilde,

waarvan Emiel Dierick de deken was, werd tegen het einde van de eeuw een bijstandskas opgericht voor zieke en oude leden, en een pensioenkas in het vooruitzicht gesteld.

Naar het model van deze laatste Sint-Crispijnsgilde werden nog andere gilden gesticht.

  • De Sint-Elooisgilde of Boerengilde kwam in Izegem in 1891 tot stand.
  • De christelijke borstelmakers groepeerden zich in 1894.
  • In 1895 stichtten ook de liberalen een borstelmakersgilde.
  • In 1887 kwam onder het patronaatschap van de H. Severinus de Gilde van Wevers en Vlasbewerkers tot stand.
  • Ze verdween toen eind 1903 in het Gildehuis de Bond der Landenaars tot stand kwam, die o.a. geiten verzekerde en over kweeksyndicaten voor geiten, konijnen en hoenders beschikte.
  • In 1911 kwam het Werk van den Akker tot stand, dat de arbeiders tot tuinieren wilde aanzetten. Er werd gemeenschappelijk en dus goedkoper plantzaad aangekocht en er werden tuinbouwlessen georganiseerd.
  • De Boomteeltkring Sint-Dorothea die begin 1876 tot stand kwam, had een meer elitair karater, al is daarvan in de laatste decennia nog maar weinig te merken.

In 1922 werd ook in Izegem een afdeling van de Bond voor Grote en Jonge Gezinnen gesticht. Ook in Emelgem en in Kachtem bestaat er een afdeling.

Vanzelfsprekend speelden ook politieke partijen in op de sociale noden, maar daarvoor verwijzen we naar ons politieke hoofdstuk.

Concept, design & development: © 2002, TaleS