| Epidemieën
kwamen vaak voor, vooral bij arme mensen. De ergste in de 19e eeuw
was de tyfusgolf van 1846. Het sterftecijfer overtrof toen het geboortecijfer:
in Izegem 364 tegenover 142 in 1846 en 384 tegenover 180 in 1847.
In Kachtem, waar in 1846 371 gezinnen of 1757 mensen woonden, telde
men in 1847 109 overlijdens en slechts 39 geboorten! Ook pastoor Petrus
Ghekiere was een van de dodelijke slachtoffers van de tyfus. Ondervoeding,
armoede, koude, verkrotting en het ontbreken van de elementairse hygiëne
waren de oorzaken. |
PATERNALISTISCHE
ORGANISATIES
De
oplossing werd aanvankelijk gevonden in het paternalisme : liefdadigheid
zonder structurele veranderingen. Toen Joannes De Bruyne in 1834 pastoor
van Izegem werd, telde de stad zo'n 500 arme gezinnen en leefden 160 mensen
van de wettelijk verboden bedelarij. Daarom richtte hij in overleg met
zijn onderpastoors, het gemeente-en het armbestuur het werk van het 'wekebrood'
(wekelijks brood) op. Dat werk bestond erin dat noodlijdenden elke week
bij een weldoener om brood mochten gaan. Later zorgde het armbestuur zelf
voor de bedeling. Van 1839 tot 1845 (tot de aardappeloogst mislukte) stonden
landbouwers aan het armbestuur vrijwillig aardappelen af, die onder de
behoeftigen werden verdeeld. Omdat de armoede nooit gekende vormen aannam,
werd in het najaar van 1845 door enkele notabelen een commissie opgericht
die moest zoeken naar mogelijke oplossingen. Vanaf 1846 werd een bijzondere
abonnementsrol ingevoerd, om met het geld van de rijken de armoede te
bestrijden. Vooral baron Louis Gillès de Pélichy valt hier omwille van
zijn liefdadigheid te vermelden. Dank zij hem konden wekelijks 620 noodlijdende
gezinnen in de Sint-Tillokerk steun krijgen.
- Na de
hongerjaren kwamen nog enkele privé-organisaties tot stand. Bij de mannen
was er het Sint-Vincentiusgenootschap (°1852) en bij
de vrouwen het Genootschap der Jufvrouwen van Bermhertigheid
(°1856). De leden gingen wekelijks op bezoek bij arme gezinnen om ze
steun te geven en ze aan te moedigen om godsdienstig en zedelijk te
leven en ouders aan te zetten om hun kinderen naar school te sturen.
In 1846 waren er in Izegem vijf kantwerkscholen. Kantwerk kon toen machinaal
nog niet goed gemaakt worden en was een uitweg voor de crisis in de
linnennijverheid. In Emelgem ontstond in 1862 een Sint-Vincentiusgenootschap.
- Vanaf
de jaren 1860 kwamen maatschappijen van onderlinge bijstand tot stand
die de werkman een inkomen bezorgden als hij ziek of werkloos werd.
Het ging niet meer om zuiver paternalisme, want de arbeider moest zelf
wekelijks een bijdrage betalen. De ereleden waren mensen uit de burgerij
die minstens evenveel betaalden als de leden, maar niet konden genieten
van de voordelen. In 1862 werd De Broederliefde gesticht.
De gewone leden werden vergoed bij ziekte of werkonbekwaamheid. De Sint-Hiloniusgilde
(°1874) gaf niet alleen de mannen steun, maar ook hun zieke vrouw en
kinderen. Ze was christelijk geïnspireerd, want De Broederliefde was
neutraal. De Vereenigde Werklieden bestond het langst:
van 1883 tot 1938 en wilde eveneens De Broederliefde concurrentie aandoen.
- In 1874
kwamen de Spaarkas en de Leen- en Borggilde
tot stand. De Spaarkas werd al in 1876 een hulpkantoor van de ASLK en
boekte in 1883 de beste resultaten van het land. Het kapitaal van de
Leen- en Borggilde kwam van particuliere weldoeners. De arbeiders konden
er tot het dubbele van hun spaargeld lenen en i.p.v. intrest te betalen,
krégen ze bij terugbetaling intrest. Bij deze werken moet zeker de naam
van onderpastoor Hendrik Vandendriessche vernoemd worden.
- In 1893
werd de NV Eigen Huis opgericht: arbeiders en ambachtslui
die bepaalde waarborgen boden, konden daar geld lenen om een gezonde
woning aan te kopen of te bouwen. Al deze initiatieven waren bedoeld
voor arbeiders en bewijzen de lotsverbetering van de arbeider, aangezien
al kon worden gespaard. In 1890 ontstond de Assurantie van Iseghem.
Die wou de premies voor brandverzekering die de Izegemnaren elders betaalden
binnen de stad houden. Ook Emelgemnaren konden aansluiten, op voorwaarde
dat hun eigendom niet verder dan een half uur (circa 2,5 km) van het
Izegemse brandweerlokaal lag.
- Het
Aartsgenootschap van de H. Franciscus Xaverius, ook de Werkmanskring
genoemd en in de volksmond afgekort tot de Ciskes, ontstond
in Izegem in 1872. Het had een godsdienstig doel, maar beoogde ook gezonde,
en dat betekende toen katholieke ontspanning. Arbeiders werd erop gewezen
dat ze door spaarzaamheid en vooruitziendheid hun lot konden verbeteren.
De Werkmanskring streefde ook 'de verbroedering van de verschillende
volksklassen' na. De vergaderingen vonden plaats in het gebouwencomplex
van de Zusters van Liefde (de kliniek), maar in 1898 werd verhuisd naar
het Gildenhuis, in de Kruisstraat, gebouwd en bekostigd door de adellijke
familie Gillès de Pélichy.
Door
de enorme verstedelijking was er veel vraag naar woonst en bouwden
grondeigenaars kleine, goedkope en veelal ongezonde woningen. Enkelen
bouwden tientallen huizen. Ze werden huisjesmelkers genoemd.
De Maatschappij der Vereenigde Grondeigenaers, die
in 1855 werd opgericht en nog na de Eerste Wereldoorlog bestond, had
een dubbele bedoeling :
- aan
de leden van de vereniging die pachters signaleren die nog bij
een ander lid achterstallige huishuur moesten
betalen én
- slechte
pachters uit hun huis zetten
|
Vanaf de
jaren 1890 werden serieuze maatregelen tegen de krotwoningen genomen.
Vanaf 1900 liet het gemeentebestuur van Izegem een aantal krotwoningen
slopen. Vanaf 1909 deelde het stadsbestuur prijzen uit voor werkmanswoningen
met orde en netheid.
GILDEN
We komen aan de gilden. Izegem had verscheidene gilden in de
eerste helft van de negentiende eeuw, maar over veel gegevens beschikken
we niet, behalve over die van de schoenmakers.
Tot 1860 was het schoenmakersambacht gesloten. D.w.z.
dat het beroep voorgehouden was voor zonen van schoenmakers of eventueel
voor kinderen ten laste van het armbestuur, omdat die toch nooit zelfstandig
het beroep zouden kunnen uitoefenen. De Izegemse schoenmakersgilde groepeerde
werkgevers en werknemers, die ook afzonderlijk vergaderden.
| Er
waren ook heel wat schoenmakersgilden die met het ambacht slechts
onrechtstreels uitstaans hadden. Het ging om cafégilden,
die vooral bloeiden tussen 1870 en 1880, maar soms bestonden tot aan
de Eerste Wereldoorlog.
Bij
deze gilden spaarden de leden wekelijks, om ter gelegenheid van
het Sint-Crispijnfeest goed te kunnen eten en 28 pinten
bier (!) te kunnen drinken. In Izegem werd het Sint-Crispijnsfeest
de maandag en dinsdag na Allerzielen gevierd.
Om
een einde te maken aan deze slemppartijen richtte de geestelijkheid,
met name onderpastoor Leopold Slosse, medio 1882 zelf een Sint-Crispijnsgilde
op. De patroonviering kreeg daardoor een meer religieus karakter
en ook de vakopleiding kreeg aandacht. Ook de verbroedering tussen
bazen en knechten werd geaccentueerd, wat een typisch christelijke
gedachte was, zeker in een tijd van opkomend socialisme.
Binnen de schoot van deze Sint-Crispijnsgilde,
waarvan
Emiel Dierick de deken was, werd tegen het einde van de eeuw een
bijstandskas opgericht voor zieke en oude leden,
en een pensioenkas in het vooruitzicht gesteld. |
Naar het
model van deze laatste Sint-Crispijnsgilde werden nog andere gilden gesticht.
- De Sint-Elooisgilde
of Boerengilde kwam in Izegem in 1891 tot stand.
- De christelijke
borstelmakers groepeerden zich in 1894.
- In 1895
stichtten ook de liberalen een borstelmakersgilde.
- In 1887
kwam onder het patronaatschap van de H. Severinus de Gilde van
Wevers en Vlasbewerkers tot stand.
- Ze verdween
toen eind 1903 in het Gildehuis de Bond der Landenaars
tot stand kwam, die o.a. geiten verzekerde en over kweeksyndicaten voor
geiten, konijnen en hoenders beschikte.
- In 1911
kwam het Werk van den Akker tot stand, dat de arbeiders
tot tuinieren wilde aanzetten. Er werd gemeenschappelijk en dus goedkoper
plantzaad aangekocht en er werden tuinbouwlessen georganiseerd.
- De Boomteeltkring
Sint-Dorothea die begin 1876 tot stand kwam, had een meer elitair
karater, al is daarvan in de laatste decennia nog maar weinig te merken.
In 1922 werd
ook in Izegem een afdeling van de Bond voor Grote en Jonge Gezinnen
gesticht. Ook in Emelgem en in Kachtem bestaat er een afdeling.
Vanzelfsprekend
speelden ook politieke partijen in op de sociale noden, maar daarvoor
verwijzen we naar ons politieke hoofdstuk. |