Economisch, sociaal en demografisch - de schoen- en borstelnijverheid

Cartoon Economisch, sociaal en demografisch overzichtSCHOENNIJVERHEID
De schoennijverheid kreeg enig belang in de Franse tijd: in de bevolkingsregisters van 1799 staan 82 gezinshoofden en 22 zonen boven de twaalf jaar als schoenmaker genoteerd. In 1825 werden er 171 schoenmakers geteld. In 1849 waren er al 300 schoen- en laarzenmakers, tegen 1863 was dat getal nog eens meer dan verdubbeld. In 1896 waren er 1433 werknemers, waarvan zowat 2/3 thuis werkte. Na de Eerste Wereldoorlog werkten meer dan 2500 mannen en vrouwen in deze sector. Het hoogtepunt viel in 1951, met in Izegem en Emelgem 5100 arbeidsplaatsen, meer dan de helft van de beroepsbevolking. Toen stonden de Izegemse schoenmakers in voor ongeveer 40% van de totale Belgische produktie. Daarna ging het snel bergaf. In de jaren 1970 daalde het cijfer onder de duizend en nu bedraagt het nog 100. De oorzaken waren de afnemende bescherming van de eigen markt, de zwakke commerciële organisatie, de hoge prijzen voor de kwaliteitsschoenen, het feit dat het meestal om kleine bedrijven met een familiaal karakter ging en een ontoereikende productiespecialisatie.

Inleiding
De Prehistorie
De feodaliteit
De Franse en Hollandse Periode
Economisch, sociaal en demografisch
15de tot 19de eeuw
landbouw en textiel in de 19de eeuw
schoen- en borstelnijverheid
sociale ellende in de 19de eeuw
ontsluiting van Izegem
Godsdienstig
Politiek

Foto Eduard DierickEduard Dierick (1800-1875) is de grondlegger van de Izegemse schoeiselnijverheid. Hij is de uitvinder van de met koper genagelde schoenen, waarvoor hij op 5 januari 1830 van koning Willem I een octrooi voor de Nederlanden kreeg. Dierick moest nog zijn eigen nageltjes maken. Enkele van zijn pronkstukken staan in het nationaal schoeiselmuseum van Izegem.
Een eigenaardigheid is dat Dierick eiste dat zijn personeel niet thuis, maar in zijn atelier werkte, waardoor het natuurlijk een bijzonder goede opleiding kreeg.

Omstreeks 1870 werd de stikmachine ingevoerd en begonnen enkele schoenmakersbazen ook te werken voor schoenwinkels. Voordien was de producent altijd ook de verkoper geweest. In de jaren 1880 kwamen de schoenen met hakken in de mode. In 1887 vormde Polydore Decoene-Mortier zijn werkhuis om tot een echte fabriek.

Het kwam eind april, begin mei 1888 echter tot rellen, omdat de arbeiders in de opkomende mechanisatie een ernstige bedreiging voor het handwerk en dus voor hun broodwinning zagen.

Foto van Schoenen gemaakt voor Willem I door Eduard DierickDecoene verliet Izegem voor Antwerpen, maar toen zijn fabriek daar niet van de grond kwam, keerde hij terug in 1890. Hij verwierf wereldfaam met zijn fijne, met de hand gemaakte luxeschoenen. In september 1909 startte hij toch in Izegem met een machinale afdeling.

Ook het leestenmaken was een belangrijke activiteit. De eerste echte leestenfabriek in Izegem onstond circa 1900 met de firma Gebroeders Smalle. Voordien maakte de schoenmaker zelf zijn leesten. Tot in de jaren 1890 was de linker- en rechterleest voor dames- en voor kinderschoenen dezelfde. Leerlooierijen zijn nooit typisch voor Izegem geweest, al waren er wel.

 

De profane folklore draaide vooral rond de schoeiselnijverheid. Daaraan is alleen de schoentjesworp (°1962) een herinnering.
In het begin werden gekleurde schoentjes uitgeworpen; een gouden schoentje mocht worden ingeruild voor een paar echte schoenen. De folkloristische schoentjesworp gebeurde aanvankelijk tijdens Izegem-Kermis, maar sedert 1987 tijdens de Izegemse Batjes. Izegem-Kermis vindt de eerste week van september plaats en herinnert aan de datum waarop de plechtige wijding van de huidige Sint-Tillokerk in 1855 plaats vond. Het gebruik heeft te maken met het feit dat de leerjongen in de 19e eeuw zijn eerste paar zelf gemaakte schoenen over het huis moest gooien. Bleven ze op de zool staan, dan mocht hij zich verder in het vak bekwamen. Zo werd de felle concurrentie tegengegaan, want de Izegemnaren waren van deze schoentjesworp vrijgesteld. En nu we het over folklore hebben : de Izegemse reuzen zijn Tijl II en Nele II en dateren van 1970. In 1980 - niet toevallig '900 jaar Izegem' (sic) - kregen ze hun kind, Tillo vanden Bond.

BORSTELNIJVERHEID
Van de borstelnijverheid is Eduard Deryckere (1812-1899) de pionier. Hij was niet de eerste borstelmaker, want borstels werden in Izegem al in de tweede helft van de 18de eeuw gemaakt, o.a. door zijn vader Judocus. Volgens de bevolkingsregisters van 1799 waren er toen vijf borstelmakers. In 1849 waren er al een twintigtal fabrikanten met 200 werknemers. Deryckere stak daar met kop en schouders boven uit, want van die 200 werkten er 80 à 100 bij hem; hij was ook de enige die naar het buitenland uitvoerde. Tot halfweg de 19e eeuw werden alleen dierlijke haren gebruikt, nadien ook plantaardige vezels. Tot in de jaren 1860 waren het vervaardigen van borstelhouten en het aanbrengen van de haren of vezels twee volledig gescheiden bedrijven.

In 1868 werd voor het eerst stoomkracht gebruikt in een borstelfabriek. De jaren 1880-1890 waren ook de periode waarin de massaproduktie begon. De borstelnijverheid bleef lange tijd een huisnijverheid, waarin veel vrouwen werkzaam waren, want alleen het borstelhoutmaken en het trekken van de duurdere borstels gebeurde in de fabriek. De volle mechanisatie startte eind 19e, begin 20e eeuw, toen machines in staat waren het haar in de borstel te trekken.

Na de Eerste Wereldoorlog ontstonden ook fabrieken waar machines voor de borstelnijverheid werden geproduceerd (nu nog vnl. de firma Boucherie). De crisis in de borstelnijverheid begon met de economische crisis van de jaren 1930, toen de Engelse markt verloren ging.

In 1894 werkten zo'n 700 mannen en 750 vrouwen in de Izegemse borstelnijverheid, in 1931 waren dat al 2500 mannen of vrouwen, zowat 1 op 3 werknemers in de secundaire sector. Met de economische crisis van de jaren 1930 en het wegvallen van de Britse markt (devaluatie van het Britse pond en de hoge tolmuren) kreeg ook de Izegemse borstelnijverheid rake klappen. In 1937 waren er circa 1500 werknemers, in 1947 geen duizend meer en momenteel 170.

Nu telt de borstelnijverheid nog maar enkele procenten van de beroepsbevolking, maar Izegem produceert nog steeds meer borstels dan vóór 1930!

Concept, design & development: © 2002, TaleS