| Economisch,
sociaal en demografisch - de landbouw en de textiel in de 19e eeuw
In
1819 telde (klein-)Izegem 167 hoeven op 1260 woningen. De meeste industrie
had nog met de landbouw te maken: vlasspinnerij en linnenweverij vooral.
Op sociaal gebied was ook de Hollandse periode geen goede tijd, al was
er een einde gekomen aan de oorlogen. Tussen 1818 en 1830 steeg het aantal
(klein-)Izegemnaren met iets meer dan 10 %, nl. van 7650 tot 8425, maar
in 1817 en 1818 vielen meer sterften dan geboorten te noteren. In 1821
moest 15% van de huisgezinnen armensteun krijgen.
Onder
impuls van de pastoor begonnen drie vrouwen in 1817 een ziekendienst,
waaruit in 1822 de kloosterstichting van de Zusters van Liefde groeide.
De Zusters van Liefde beoefenden vanaf het begin de caritas door arme
zieken thuis te bezoeken en achtereenvolgens met een ouderlingengesticht
voor mannen en vrouwen, een wezenschool en een hospitaal te starten. |
|












 |
In
de 19de eeuw stelde de landbouw de meeste mensen te werk. In 1842 was 89%
van het (klein-)Izegemse grondgebied landbouwareaal; 80% daarvan was akkerland.
De grootste boerderij was die van Louis Loncke en omvatte 32,60 ha. In Izegem
waren tarwe en rogge de meestvoorkomende teelten. De veestapel bestond vooral
uit koeien : in 1856 werden 944 koeien geteld en 185 varkens; nu is dat
cijfer helemaal omgedraaid [1391 tegenover 2082 in 1964; in 1971 al 11.818
varkens. Vooral vanaf 1966 verminderde het graanareaal en werden de veeteelt
en de groenten-en fruitteelt belangrijker.
In
de secundaire sector haalde in (klein-)Izegem de textiel-
en kledingsector nog 80% in 1819, maar slechts 7% in groot-Izegem
in 1980.
De linnennijverheid was voor veel kleine landbouwers
een noodzakelijke bijverdienste. In 1846 was zowat
1/3 van de Izegemse beroepsbevolking spinster of wever. De lijnwaadmarkt
verkeerde echter in een enorme crisissituatie : de
Franse markt ging verloren en de Engelsen brachten dank zij de mechanisatie
goedkopere producten op de markt.
Al
tegen het einde van de Hollandse periode kochten Fransen en vooral
Engelsen het vlas op, waardoor de prijs van het vlas steeg en te
duur werd voor de Izegemse spinster en wever. De oorzaak van de
lijnwaadcrisis in België was de trage aanpassing aan het
mechanische produktieproces. Ook het Izegemse stadsbestuur
stond zeer wantrouwig tegenover de mechanisatie.
In
1841 werd in Izegem een Nijverheidscomité
gevormd dat met overheidssubsidie de behoeftige spinsters en wevers
goedkoop vlas moest bezorgen. Het bleek een achterhoedegevecht. |
Een ander
middel om de crisis te bestrijden was de oprichting van modelleerwerkscholen.
In 1854 kwam zo'n school in Izegem tot stand, een privé-initiatief van
fabrikant Maes-Vancampenhoudt, met de financiële steun van de overheid;
ze verdween al in 1862. Ook Petrus Mulier had in 1856 een leerwerkhuis.
De eerste
aanvraag om een stoommachine te mogen plaatsen wordt
in 1856 in de notulen van de gemeenteraad geacteerd.
Het ging om twijngarenfabrikant Bruno Mistiaen-Depoortere. De grote promotor
van het weven met mechanisch gesponnen garen was in Izegem echter Petrus
Parmentier, vanaf circa 1836. In 1858 waren er al acht Izegemse fabrikanten
die weefden met mechanisch gesponnen garen. De overschakeling naar het
mechanisch weven gebeurde in 1864. Andermaal was Petrus Parmentier de
eerste. We noemen hem terecht de grondlegger van de gemechaniseerde lijnwaadnijverheid
in Izegem. De getouwen werden door stoomkracht bewogen. |