Op 22 augustus 1568 werd de Sint-Tillokerk geplunderd door de protestantse beeldenstormers. Ook de kerken van Emelgem en Ingelmunster werden toen door dezelfde bende verwoest. De kerk van Kachtem werd beschadigd door de Beeldenstorm, maar, anders dan in Izegem en Emelgem, leed het dorpsleven er nauwelijks onder.
| Tot
1577 was de 16de eeuw de gouden eeuw voor de Izegemse lijnwaadnijverheid,
maar de jaren 1578-1609 waren ongeluksjaren voor Izegem.
Een indicator daarvoor is de daling van het aantal Izegemse buitenpoorters van Kortrijk. Buitenpoorters (hier Izegemnaren) genoten van rechten in de stad waarin ze zich als poorter lieten inschrijven (hier Kortrijk). Tussen 1577 en 1593 daalde dat aantal tot één zesde! Een andere aanwijzing voor de crisis is dat in 1587-1588 een belasting op het verbruik van wijn, bier en vlees in Izegem geen drie procent opbracht van wat in 1575-1576 kon worden geïnd. Vanuit Gent, waar de calvinisten eind 1577 de macht hadden gegrepen, werd een breed offensief tegen de kerk ingezet, waaraan ook Izegem niet ontsnapte.
|
Tijdens
het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), ten tijde van de aartshertogen Albrecht
en Isabella, werd de situatie in Izegem wat beter, maar de rest van de 17de
eeuw was rampzalig, vooral door het vele oorlogsgeweld. Verscheidene keren sloegen
Izegemnaren op de vlucht voor plunderende troepen, vooral Franse, maar ook uit
Lorreinen en Holland. Het economisch leven steunde op de landbouw en de linnennijverheid,
maar de rol van Izegem als linnenhandelscentrum was uitgespeeld. In de 17de
eeuw noteren we ook een aantal misoogsten, die hongersnood en daardoor ziekten
veroorzaakten. In de zomer van 1631 werd Kachtem aangevallen door een roverbende.
Toen Izegem opnieuw met de pest af te rekenen kreeg, besloot de wet in 1638
tot de bouw van een pesthuis in Emelgem (de heer van Izegem was ook heer van
Emelgem). Geregeld werd de streek door Franse soldaten bezet. In 1645 plunderden
Franse troepen, die in het bezit wilden komen van de vesting Kortrijk, o.a.
in Emelgem en Kachtem. De Negenjarige oorlog (1688-1697) was rampzalig. Op 22-23
oktober 1689 kreeg Emelgem het ongewenste bezoek van Hollandse soldaten uit
het garnizoen van Nieuwpoort en in 1690 plunderden Franse en Spaanse soldaten
er.
| In 1692 en 1693 waren er in Izegem meer sterften dan geboorten. Het hoogtepunt van de demografische crisis viel evenwel in 1694, toen 786 sterfgevallen werden genoteerd, naar schatting een kwart van de bevolking! Dat was 15 à 20 keer meer dan in een normaal jaar. Naar schatting telde Izegem 3.228 inwoners in 1653 en 3.447 in 1710, een stijging slechts met 219 eenheden in meer dan een halve eeuw |
De 18de eeuw bracht nieuwe voorspoed. Dat was de Oostenrijkse periode (1713-1792). Slechts de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) betekende weer wat oorlogsgeweld in Izegem. De voeding verbeterde vooral dankzij de verspreiding van de aardappel. Wegens de lage loonkost was de Vlaamse linnennijverheid zeer competitief en kon een deel van de productie worden uitgevoerd. Tussen 1710 en 1790 verdubbelde de (klein-)Izegemse bevolking : van 3.447 tot 7.088. In 1746 stonden er 673 woonhuizen - waarvan 219 hoeven - in Izegem zelf, 231 woningen - waarvan 3 hofsteden - meer dan in 1653. De stijging van de bevolking werd niet opgevangen door de landbouw, wel vnl. in de lijnwaadsector. In 1783 telde Emelgem 1417 zielen. Kachtem telde in 1745 zo'n 628 parochianen en in 1775 235 gezinnen met 830 communicanten, zodat het dorp in 1775 een onderpastoor toegewezen kreeg. In 1804 kreeg elk Izegemse huis een huisnummer.